Laden...
Nieuws2018-05-01T14:11:38+00:00

Nieuws

Houd deze pagina in de gaten voor het laatste nieuws en onze inloopspreekuren.

Aanzegverplichting

Bij een tijdelijk arbeidscontract voor een duur van zes maanden of langer geldt de aanzegverplichting. Deze verplichting houdt in dat de werkgever tijdig moet aangeven of hij de overeenkomst na afloop wel of niet wil voortzetten. Dit moet schriftelijk gebeuren en wel uiterlijk 1 maand voor het einde van het contract. Als de werkgever de overeenkomst wil voortzetten moet hij aangeven onder welke voorwaarden dat gebeurt. De werkgever voldoet overigens al aan de aanzegverplichting als hij bij de aanvang van de arbeidsovereenkomst schriftelijk laat weten dat er geen opvolgend contract zal komen. De aanzegtermijn geldt niet als een uitzendbeding in de arbeidsovereenkomst is opgenomen.

Gevolgen niet nakomen aanzegverplichting
Laat de werkgever niet weten of de arbeidsovereenkomst wel of niet wordt voortgezet, dan is hij de werknemer een vergoeding van 1 maandsalaris verschuldigd. Voldoet de werkgever te laat aan de aanzegverplichting, dan is hij een evenredige vergoeding verschuldigd. Is de werkgever een week te laat met het voldoen aan zijn verplichting, dan bedraagt de vergoeding waar de werknemer recht op heeft een weeksalaris.
De werkgever is geen vergoeding wegens het niet of te laat nakomen van de aanzegverplichting verschuldigd in de volgende situaties:

  • faillissement;
  • uitstel van betaling;
  • toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen.
Bron: Overig | publicatie | 17-05-2018
mei 17th, 2018|

Kwalificatie eigen woning

Vermogensbestanddelen van een particulier vallen in beginsel in box 3 van de inkomstenbelasting. Er geldt een uitzondering voor de eigen woning. Deze valt in box 1. De inkomsten uit de eigen woning bestaan uit een percentage van de WOZ-waarde van de woning, verminderd met aftrekbare kosten zoals de betaalde rente van de financiering van de woning. De Wet IB 2001 stelt als voorwaarde voor de kwalificatie als eigen woning dat de woning aan de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden als hoofdverblijf ter beschikking staat. Een woning behoudt de kwalificatie eigen woning tijdens een periode van leegstand als de woning in het kalenderjaar of in een van de voorafgaande drie jaren een eigen woning was en de woning bestemd is voor verkoop. Op verzoek van een belastingplichtige kan een woning, die ten minste een jaar de eigen woning is geweest, maar die tijdelijk niet als hoofdverblijf dient, als eigen woning worden aangemerkt. Daarvoor gelden als voorwaarden dat de woning in die periode niet aan derden ter beschikking is gesteld en dat de belastingplichtige geen andere eigen woning heeft. De voorwaarde dat de woning niet aan derden ter beschikking wordt gesteld, houdt in dat de woning niet wordt verhuurd en dat niet wordt gedoogd dat derden de woning gebruiken. Wel is toegestaan dat een kraakwacht in de woning verblijft.

Wanneer niet aan de voorwaarden is voldaan en dus geen sprake is van een eigen woning, gaan de woning en de daarop betrekking hebbende financieringsschuld naar box 3. Het gevolg daarvan is dat de betaalde rente niet langer aftrekbaar is van het inkomen in box 1. Het is belangrijk om u daarvan bewust te zijn. Recent zijn in de rechtspraak hiervan enkele voorbeelden aan de orde geweest.

Voorbeelden
Het eerste voorbeeld betrof een echtpaar, dat in verband met de uitzending voor het werk naar het buitenland de eigen woning in Nederland verliet. De woning werd te koop gezet. In afwachting van verkoop stond het echtpaar toe dat een recent gescheiden vriendin met haar kinderen de woning bewoonde. In ruil daarvoor zou de vriendin het huis netjes houden en potentiële kopers toegang verlenen tot de woning. Tijdens de periode van uitzending werd de woning niet verkocht. Toen het echtpaar terugkeerde naar Nederland verliet de vriendin op verzoek van het echtpaar de woning. Naar het oordeel van het gerechtshof was de vriendin geen kraakwacht. Zij had voor eigen gebruik de beschikking over de gehele woning. Het echtpaar had geen voorbehoud met betrekking tot gebruik van gedeelten van de woning gemaakt en heeft in de periode van uitzending ook geen gebruik van de woning gemaakt. Naar het oordeel van het hof was de woning aan een derde ter beschikking gesteld en stond deze niet leeg in afwachting van verkoop. Er was daarom geen sprake van een eigen woning in fiscale zin.

Het tweede voorbeeld betrof het gebruik van een woning door een neef van de belastingplichtige tijdens diens verblijf in het buitenland. De neef was student en studeerde in de woonplaats van de belastingplichtige. Wanneer hij in verband met zijn studie in de buurt moest zijn, logeerde de neef in de woning van de belastingplichtige. Volgens het gerechtshof behoorde de neef niet tot het huishouden van de belastingplichtige en moest de neef dus worden aangemerkt als een derde. Het hof vond van belang dat de neef toestemming had voor het gebruik van de woning en dat sprake was van meer dan incidenteel logeren. Dat de neef slechts gebruik maakte van één slaapkamer en van de algemene voorzieningen in de woning wil volgens het hof niet zeggen dat de woning niet aan derden ter beschikking werd gesteld. Ook in dit geval geen sprake van een eigen woning in fiscale zin.

Bron: Hof Arnhem-Leeuwarden | jurisprudentie | ECLINLGHARL20183818, 17/00702 | 09-05-2018
mei 9th, 2018|

Project hinderbeperking grootschalige wegwerkzaamheden

De Wet IB 2001 kent een vrijstelling voor vergoedingen die bij grootschalige wegwerkzaamheden worden betaald aan verkeersdeelnemers om de hinder te beperken. De vrijstelling geldt voor deelnemers aan een project hinderbeperking gedurende maximaal twaalf maanden en tot een bedrag van niet meer dan € 200 per maand en € 1.200 per deelnameperiode. De voordelen voor deelnemers kunnen bestaan uit:

  • Geldelijke beloningen, uitgekeerd op de bankrekening.
  • Niet-geldelijke beloningen, zoals cadeaus, tegoedbonnen en spaarsystemen.
  • Vergoedingen voor alternatief vervoer, zoals een ov-budget of ov-kaart.

Voor zover de beloning door de werkgever van de deelnemer(s) wordt betaald, is sprake van loon uit dienstbetrekking. Daarvoor geldt deze fiscale vrijstelling niet. Wel kan de vergoeding mogelijk met toepassing van de werkkostenregeling onbelast worden uitbetaald.

De minister van Infrastructuur en Waterstaat (I en W) heeft het beleidskader vastgesteld waaraan projecten moeten voldoen om in aanmerking te komen voor de vrijstelling. Een aanvraag moet een omschrijving van de wegwerkzaamheden waaraan het project gekoppeld is, inclusief een planning, een onderbouwing van de verwachte verkeershinder en een inschatting van het aantal personen dat hinder ondervindt van de wegwerkzaamheden omvatten.

Voor de aanwijzing van projecten gericht op hinderbeperking geldt een budgettair belang van € 500.000 per jaar aan gederfde belastinginkomsten. Dit komt overeen met € 2.000.000 aan uitgekeerde beloningen aan deelnemers. Aanvragen die aan de gestelde voorwaarden voldoen worden geselecteerd op volgorde van het moment van indienen. Het ministerie van I en W bevestigt schriftelijk of een aanvraag wordt aan- of afgewezen. Bij aanwijzing wordt het project in de Staatscourant gepubliceerd.

Bron: Overig | besluit | IENW/BSK-2018/76264, St.crt. 2018, 23038 | 09-05-2018
mei 9th, 2018|

Ketenregeling arbeidsrecht

De ketenregeling in het arbeidsrecht houdt in dat van rechtswege een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstaat na meer dan drie opvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd of na opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor een totale duur van meer dan 24 maanden, inclusief eventuele tussenliggende perioden waarin niet is gewerkt voor dezelfde werkgever.

Een werknemer ontving na drie arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd een nieuwe arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd op naam van een andere werkgever. Feitelijk veranderde er niets: de werkzaamheden, de werktijden, aansturing, het loon en de naam op de loonstrookjes bleven hetzelfde. De werknemer was chauffeur en bleef ondanks de wijziging van werkgever in dezelfde vrachtwagen rijden. Kort voor het contractuele einde van de laatste arbeidsovereenkomst werd de werknemer ziek. De werkgever deelde daarop mee dat de arbeidsovereenkomst niet werd verlengd. De kantonrechter moest eraan te pas komen om de werkgever duidelijk te maken dat inmiddels sprake was van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBLIM20184084, 6765171 \ CV EXPL 18-1772 | 09-05-2018
mei 9th, 2018|

Dijkpercelen in het GLB en de Meststoffenwet

Dijken (waterkeringen) tellen niet zonder meer mee voor de Meststoffenwet en de uitbetaling van betalingsrechten. Vanaf dit jaar tellen primaire waterkeringen niet meer volledig mee voor de Meststoffenwet.

Primaire waterkeringen
Primaire waterkeringen zijn zeedijken en dijken langs grote waterwegen en meren. De hoofdfunctie is waterkering en geen landbouw. De beschikkingsmacht en het exclusieve gebruiksrecht liggen bij Rijkswaterstaat. De primaire waterkering is daarom (natuurlijk) grasland met hoofdfunctie natuur (gewascode 336 in Gecombineerde opgave). Of er sprake is van een primaire waterkering kan men zien op de websitehttps://waterveiligheidsportaal.nl.

Niet-primaire waterkeringen
Niet-primaire waterkeringen kan men wel blijven gebruiken voor de uitbetaling van de betalingsrechten en de Meststoffenwet, mits verder aan de voorwaarden wordt voldaan. Deze kan men opgeven met gewascode 265 (blijvend grasland).

Primaire waterkeringen en uitbetaling betalingsrechten
Primaire waterkeringen zijn wel subsidiabel wanneer men de dijken feitelijk in gebruik heeft en er landbouwactiviteiten worden uitgevoerd.

Primaire waterkeringen en de Meststoffenwet
Voor de Meststoffenwet moet de hoofdfunctie van de grond ‘landbouw’ zijn en men moet de feitelijke beschikkingsmacht en het exclusieve gebruiksrecht hebben. Primaire waterkeringen tellen daarom niet mee voor de gebruiksnormen en derogatie (80%-graslandeis). Wel tellen ze mee voor de grondgebondenheid en de mestverwerkingsplicht.

Wanneer er mest wordt aangewend op de primaire waterkeringen, zal in alle gevallen een vervoersbewijs dierlijke meststoffen opgemaakt moeten worden. Worden de primaire waterkeringen beweid, dan is er sprake van uitscharen. Voor de gebruiksnormenberekening zal men dan het aantal uitgeschaarde dieren en de uitschaarduur moeten vastleggen in de administratie, zodat de mestproductie tijdens het uitscharen buiten de berekening kan worden gehouden. Op deze percelen mag maximaal 70 kg fosfaat en 170 kg stikstof per hectare per jaar aangewend worden, tenzij er in de pachtovereenkomst een lagere norm is overeengekomen.

Bron: Overig | publicatie | 03-05-2018
mei 3rd, 2018|

Fosfaatrechten komen toe aan opfokker

De rechtbank heeft onlangs in een zaak tussen een melkveehouder en jongvee-opfokker geoordeeld dat de fosfaatrechten geheel toekomen aan de opfokker. De melkveehouder had zijn jongvee tussen maart 2015 en maart 2017 laten opfokken door de jongvee-opfokker. Daarna beëindigde hij de opfokovereenkomst. De melkveehouder vroeg de opfokker mee te werken aan het indienen van het formulier ‘In- en uitscharen’ teneinde het aan hem toegekende aantal fosfaatrechten te laten verhogen met de rechten voor de bij de opfokker gestalde dieren op 2 juli 2015. De opfokker weigerde dit.

De voorzieningenrechter stelde vast dat het feitelijk houderschap en niet de eigendomssituatie (op 2 juli 2015) doorslaggevend is voor de toekenning van de fosfaatrechten. Dit betekende dat de fosfaatrechten voor het uitgeschaarde vee in beginsel bij de opfokker berusten. De opfokker heeft niet onrechtmatig gehandeld door geen instemming te geven aan het formulier. Daarbij is redengevend dat het gedurende circa twee jaar opfokken van jongvee verder lijkt te gaan dan alleen het in- en uitscharen van vee, gelet op de duur en intensiteit.

Ook hebben opfokkers behoefte aan en recht op fosfaatrechten. Zonder die rechten kan hun bedrijf niet bestaan. De melkveehouder was ook na afloop van de overeenkomst zijn jongvee niet zelf gaan opfokken, maar had daarvoor een ander gevonden. De melkveehouder had de rechten van de opfokker dan ook niet nodig om zijn bedrijf en de omvang daarvan, zoals die was op 2 juli 2015, te borgen.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | 03-05-2018
mei 3rd, 2018|

JA, IK WIL ONLINE BOEKHOUDEN ZONDER GEDOE!


    Go to Top