Laden...
Nieuws2018-05-01T14:11:38+00:00

Nieuws

Houd deze pagina in de gaten voor het laatste nieuws en onze inloopspreekuren.

Geen versoepeling aflossingsverplichting

De rente die wordt betaald voor de financiering van een eigen woning is aftrekbaar op voorwaarde dat de schuld in maximaal 30 jaar wordt afgelost. De aflossingsverplichting is op 1 januari 2013 ingevoerd voor nieuwe leningen. De Tweede Kamer heeft het kabinet in een motie gevraagd om de mogelijkheden en gevolgen te onderzoeken van het versoepelen van de aflossingsverplichting. De achtergrond voor de invoering van de aflossingsverplichting is het verbeteren van de woningmarkt, het verlagen van de financiële risico’s voor huishoudens en van de nationale hypotheekschuld.

De staatssecretaris van Financiën is niet van plan om op dit moment met een versoepeling van de bestaande aflossingsverplichting te komen. De fiscale eigenwoningregeling zal in 2019 worden geëvalueerd. De aflossingsverplichting is onderdeel van die regeling en wordt dan in de evaluatie betrokken. Onder de bestaande wet- en regelgeving is het mogelijk om niet volledig af te lossen. Dat heeft wel tot gevolg dat slechts een deel van de betaalde hypotheekrente aftrekbaar is. Desondanks is het mogelijk om een hypotheekvorm te kiezen waarmee huishoudens op korte termijn lagere maandlasten kunnen realiseren.

Gevolgen versoepeling aflossingsverplichting
In de motie is gevraagd om onderzoek naar verlaging van de aflossingsverplichting tot 70% van de schuld. Dat zou kunnen door 70% van de eigenwoningschuld annuïtair in 30 jaar af te lossen en 30% aflossingsvrij met behoud van renteaftrek. In deze vorm zijn de netto maandlasten over de gehele looptijd van de hypotheek lager. Daarna zijn de maandlasten hoger omdat er nog een hypotheekschuld overblijft. Voor de staat zou deze vorm van versoepeling leiden tot verminderde belastinginkomsten.
Een alternatief is verplicht aflossen van de gehele eigenwoningschuld tot het moment waarop de resterende schuld 30% van de oorspronkelijke schuld bedraagt. Na het vervallen van de aflossingsverplichting blijft de renteaftrek bestaan. Deze vorm leidt niet tot lagere maandlasten in het begin van de aflossingsperiode. Het verlies aan belastinginkomsten voor de staat is kleiner dan bij de eerste vorm.

Om een versoepeling van de aflossingseis te kunnen financieren zou de renteaftrek met 12% beperkt moeten worden. Een versoepeling van de aflossingseis vergroot de subsidiëring van de koopmarkt en leidt tot hogere huizenprijzen. Ook leidt een versoepeling van de aflossingseis tot hogere hypotheekschulden bij huishoudens. Afhankelijk van de gekozen vorm leidt een versoepeling van de aflossingseis naar verwachting tot een ingewikkeldere regeling. De eigenwoningregeling wordt nu al als zeer complex ervaren.

Bron: Ministerie van Financiën | publicatie | 2018-0000085118 | 21-06-2018
juni 21st, 2018|

Bedragen kinderopvangtoeslag 2019

De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft een ontwerpbesluit gepubliceerd met geïndexeerde bedragen voor de kinderopvangtoeslag per 2019.

  • De maximum uurprijs voor dagopvang bedraagt na verhoging en jaarlijkse indexatie € 8,02.
  • De maximum uurprijs voor buitenschoolse opvang bedraagt in 2019 na verhoging en indexatie € 6,89.
  • De maximum uurprijs voor gastouderopvang wordt alleen geïndexeerd en bedraagt in 2019 € 6,15.

De kinderopvangtoeslag voor het eerste kind gaat voor ouders met de laagste inkomens omhoog van 94 naar 96%. Voor ouders met een modaal inkomen stijgt de kinderopvangtoeslag van 86 naar 88,3%. Voor ouders met een toetsingsinkomen van circa € 50.000 stijgt de kinderopvangtoeslag voor het eerste kind van 77,2 naar 80,9%. Het bijdragepercentage voor het eerste kind daalt met het stijgen van het inkomen tot 33,33%. In 2018 gebeurt dat bij een toetsingsinkomen van € 101.971. Deze inkomensgrens wordt in 2019 verhoogd naar € 123.920. Ouders met een inkomen tot dat bedrag krijgen dus een hoger toeslagpercentage in 2019. Ook de daling van het percentage dat ouders vergoed krijgen voor het tweede kind wordt aangepast waardoor de kinderopvangtoeslag minder daalt naarmate het inkomen van de ouders stijgt.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken | besluit | 2018-0000098338 | 21-06-2018
juni 21st, 2018|

Geen giftenaftrek zonder schriftelijk bewijs

Giften aan het algemeen nut beogende instellingen zijn aftrekbaar voor de inkomstenbelasting als zij een inkomensafhankelijke drempel overschrijden. Giften moeten met schriftelijke bescheiden kunnen worden gestaafd.

Hof Amsterdam oordeelde in een procedure dat de belanghebbende ondanks het overleggen van kwitanties, donatieverklaring en bankafschriften niet het bewijs had geleverd dat hij voor een bedrag van € 4.000 giften aan een instelling had gedaan. Bij een strafrechtelijk onderzoek dat was ingesteld bij de instelling was vastgesteld dat op grote schaal valse of onjuiste kwitanties en donatieverklaringen waren afgegeven door de financieel coördinator en bestuurders van de instelling. In die gevallen werd het werkelijk ontvangen bedrag in de administratie van de instelling verwerkt. De naam van de belanghebbende kwam niet voor op lijsten met schenkingen uit de administratie van de instelling. Onder deze omstandigheden vond het hof de kwitanties onvoldoende bewijs voor aftrek van giften. Ander bewijs dan de kwitanties en de donatieverklaring verstrekte de belanghebbende niet. Rekeningafschriften van de bank waarop contante opnamen vermeld waren, vormden geen bewijs omdat daaruit niet is af te leiden waaraan het opgenomen geld is besteed.

Bron: Hof Amsterdam | jurisprudentie | ECLINLGHAMS20181440, 17/00163 | 21-06-2018
juni 21st, 2018|

Minimum(jeugd)lonen per 1 juli 2018

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft de bedragen van het wettelijk minimumloon per 1 juli 2018 vastgesteld. Het bedrag per maand bedraagt voor een werknemer van 22 jaar of ouder € 1.594,20. Het minimumloon per week bedraagt voor deze categorie € 367,90. Per dag komt dat neer op een bedrag van € 73,58. Voor werknemers van 21 jaar of jonger gelden hiervan afgeleide bedragen.

 Leeftijd  Percentage  Per maand  Per week  Per dag
 22 jaar en ouder  100%  € 1.594,20  € 367,90  € 73,58
 21 jaar    85%  € 1.355,05  € 312,70  € 62,54
 20 jaar    70%  € 1.115,95  € 257,55  € 51,51
 19 jaar    55%  €    876,80  € 202,35  € 40,47
 18 jaar    47,5%  €    757,25   € 174,75  € 34,95
 17 jaar    39,5%  €    629,70  € 145,30  € 29,06
 16 jaar    34,5%  €    550,00  € 126,95  € 25,39
 15 jaar    30%  €    478,25  € 110,35  € 22,07
Bron: Ministerie van Sociale Zaken | publicatie | 21-06-2018
juni 21st, 2018|

Fiscale aspecten cryptovaluta

De staatssecretaris van Financiën heeft in een brief aan de Eerste Kamer een uiteenzetting gegeven over de fiscale aspecten van cryptovaluta, zoals de bitcoin. Omdat de ontwikkelingen rond cryptovaluta snel gaan is niet uit te sluiten dat de fiscale kwalificatie en behandeling van cryptovaluta veranderen.

Particulieren en cryptovaluta
Volgens vaste jurisprudentie vormen speculatieve transacties en transacties waarvan het eindresultaat niet beïnvloedbaar is door de verrichte arbeid geen bron van inkomen. Dat geldt ook voor de handel in cryptovaluta. Als er structureel positieve resultaten worden behaald die kunnen worden verklaard door arbeid van de betrokkene, die verder gaat dan de arbeid die met speculatie samenhangt, is wel sprake van een bron van inkomen. Bij het minen en handelen in cryptovaluta door een natuurlijk persoon zal niet snel sprake zijn van een bron van inkomen. Vermogensbestanddelen van een natuurlijk persoon behoren tot de rendementsgrondslag van box 3, tenzij sprake is van vermogensbestanddelen die in box 1 of box 2 vallen. Cryptovaluta van een natuurlijk persoon vallen in box 3 en moeten naar de waarde in het economisch verkeer op 1 januari van een kalenderjaar worden opgenomen in de aangifte inkomstenbelasting. De staatssecretaris gaat daarbij uit van de koers op de peildatum van het gebruikte omwisselplatform.

Ondernemers en cryptovaluta
Als de tegenprestatie voor de verkoop van goederen of de levering van diensten door een ondernemer uit cryptovaluta bestaat, moet deze worden omgerekend naar een equivalent in euro’s. Het bedrag in euro’s wordt tot de omzet gerekend voor de winstbepaling en voor de omzetbelasting. Omwisselen van cryptovaluta kan een verlies of een winst opleveren. Cryptovaluta die op de balansdatum aanwezig zijn moeten worden gewaardeerd volgens goed koopmansgebruik. De hoofdregel is waardering op kostprijs of lagere marktwaarde.

Loonbetaling in cryptovaluta
Als loon wordt uitbetaald in cryptovaluta moet het loon voor de aangiften loonbelasting worden omgerekend in euro’s op het moment dat het loon wordt genoten.

Cryptovaluta en ib-ondernemer
Bij de aankoop van cryptovaluta door een ib-ondernemer speelt het leerstuk van de vermogensetikettering. Als cryptovaluta worden aangeschaft met duurzaam overtollige liquide middelen vormen zij geen ondernemings- maar privévermogen en vallen zij in box 3. Dat geldt ook als de aankoop van cryptovaluta niet plaatsvindt binnen de normale ondernemingsuitoefening en er geen sprake is van het beleggen van tijdelijke overtollige middelen.

Cryptovaluta en bv
Een bv drijft een onderneming met het gehele vermogen. De resultaten van het minen en de aan- en verkoop van cryptovaluta moeten volgens goed koopmansgebruik in de winst van de bv worden verwerkt.

Bron: Ministerie van Financiën | publicatie | 2018-0000082316 | 21-06-2018
juni 21st, 2018|

WBSO in 2017

De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) heeft vorig jaar aan ruim 21.000 Nederlandse bedrijven, waarvan 97% uit het mkb, € 1.455 miljoen aan afdrachtvermindering WBSO toegekend. De verdeling van de afdrachtvermindering over mkb en grootbedrijf wijkt af van de verdeling van de aanvragers. Slechts 64% van de afdrachtvermindering gaat naar het mkb. Het aantal bedrijven dat gebruik maakt van de WBSO is in 2017 met 4,8% gedaald ten opzichte van 2016. In 2017 heeft RVO.nl 35.515 WBSO-aanvragen toegekend. Dat is 4,7% minder dan in 2016.

87% van de ondernemers heeft gekozen voor de forfaitaire berekening van de afdrachtvermindering, slechts 13% voor berekening op basis van de werkelijke kosten en uitgaven voor onderzoek en ontwikkkeling (R&D). De toegekende afdrachtvermindering is niet per definitie gelijk aan het uiteindelijke voordeel. Dat is afhankelijk van de daadwerkelijk uitgevoerde R&D-werkzaamheden. Niet alle provincies geven evenveel uit aan R&D. Noord-Brabant is met € 1.875 miljoen koploper, gevolgd door Zuid- en Noord-Holland.

De meeste bedrijven die in 2017 gebruik maakten van de WBSO zijn gevestigd in de regio Amsterdam. Deze regio heeft ook het grootste aandeel startende bedrijven onder de aanvragers (26%). De regio’s Zuidoost-Brabant en Utrecht zijn de nummers twee en drie qua aantallen bedrijven. Het aandeel starters in deze regio’s ligt met 14% en 16% lager dan in de regio Amsterdam, maar wel op het gemiddelde van heel Nederland (15%).

Bron: Ministerie van Economische Zaken | publicatie | 21-06-2018
juni 21st, 2018|

JA, IK WIL ONLINE BOEKHOUDEN ZONDER GEDOE!


    Go to Top