Laden...
Nieuws2018-05-01T14:11:38+00:00

Nieuws

Houd deze pagina in de gaten voor het laatste nieuws en onze inloopspreekuren.

Bedrijfsovernamefonds voor jonge boeren

In het regeerakkoord heeft het kabinet de komst van een bedrijfsovernamefonds voor jonge boeren aangekondigd. Dat fonds dient om de overname van het gezinsbedrijf en investeringen in innovatie te financieren. De minister van Landbouw heeft in een brief aan de Tweede Kamer de hoofdlijnen van het bedrijfsovernamefonds uiteengezet.

Het fonds is niet bedoeld voor de financiering van de bedrijfsovername zelf, omdat daarvoor andere instrumenten bestaan zoals de Borgstellingsregeling Landbouw. De minister wil overnemende en startende agrarische ondernemers uitdagen om bij de bedrijfsovername te investeren in innovatieve en duurzame bedrijfsontwikkeling. De aanvullende investeringen moeten op basis van een reële begroting van het investerings- of bedrijfsplan bijdragen aan een of meer toetsingscriteria van de Landbouwvisie. De aankoop van extra grond en van dieren- en fosfaatrechten wordt uitgesloten van het fonds vanwege het prijsopdrijvende effect.

Het beschikbare budget bedraagt € 75 miljoen. De minister wil € 64 miljoen gebruiken voor een nieuwe Garantieregeling Vermogensversterkend Krediet (VVK) en € 11 miljoen voor het opzetten van een opleidings- en coachingstraject. De Garantieregeling VVK moet het voor financiers aantrekkelijker maken om achtergestelde leningen te verstrekken. Onderzocht wordt om de Garantieregeling VVK als een nieuwe regeling onder de bestaande Borgstelling MKB-Landbouwkredieten te brengen en uit te laten voeren door RVO.nl. Door gebruik te maken van een bestaande regeling kan de nieuwe regeling relatief snel en gemakkelijk operationeel worden.
Het opleidings- en coachingstraject is bedoeld om het agrarisch ondernemerschap te versterken. Er zal cursusmateriaal worden ontwikkeld om boeren inzicht te geven in wat er komt kijken bij de overname van een gezinsbedrijf. Het is de bedoeling dat de nieuwe regeling voor de zomer operationeel is.

Bron: Ministerie van Landbouw | publicatie | DGA-ELV / 18321765 | 17-01-2019
januari 17th, 2019|

Uitdeling van winst bij verkoop pand aan dga

Een vermogensverschuiving van een bv naar de houder van een aanmerkelijk belang in de bv vormt een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang als de bv daardoor verarmt en de onttrekking van vermogen plaatsvindt uit winst, winstreserves of binnen afzienbare tijd te behalen winst van de bv. Zowel de bv als de aanmerkelijkbelanghouder moet zich bewust zijn van de bevoordeling. Dit betekent dat een bv en haar dga onderling zakelijk moeten handelen. Is sprake van een bevoordeling, bijvoorbeeld omdat de bv zich een voordeel laat ontgaan ten bate van de dga in zijn hoedanigheid van aandeelhouder, dan vormt dat voordeel inkomen uit aanmerkelijk belang voor de dga. Een voorbeeld van het zich laten ontgaan van een voordeel is de verkoop van een vermogensbestanddeel voor een te lage prijs.

Een bv verhuurde een woon/winkelpand. In verband met een voorgenomen verkoop aan de dga liet de bv het pand taxeren. De taxateur stelde de onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik vast op een bedrag van € 2,6 miljoen. Voor dit bedrag werd het pand door de bv aan de dga verkocht. In de tussentijd was de huurovereenkomst voor het winkelgedeelte, met tussenkomst van de kantonrechter, beëindigd en was een nieuwe huurder gevonden. De oude huurprijs was € 86.000 per jaar. De nieuwe huurprijs kwam uit op € 200.000 per jaar. De nieuwe huurder betaalde een bedrag aan sleutelgeld van € 175.000. De nieuwe huurovereenkomst was tot stand gekomen voor de overdracht van het pand aan de dga, maar ging pas geruime tijd later in. De taxateur van de Belastingdienst berekende de waarde van het pand op € 3.450.000. De Belastingdienst merkte een bedrag van € 1.025.000 aan als voordeel uit aanmerkelijk belang van de dga. Dat bedrag bestond uit het verschil tussen getaxeerde waarde in verhuurde staat van het pand en de verkoopprijs, vermeerderd met het sleutelgeld van € 175.000.

De rechtbank schoof de taxatie die de bv had laten uitvoeren terzijde, gezien de ontwikkelingen in de periode na de datum van de taxatie en de datum van overdracht van het pand. De taxatie van de Belastingdienst accepteerde de rechtbank wel. De rechtbank vond aannemelijk dat de dga het voordeel van de te lage verkoopprijs had genoten in zijn hoedanigheid van aandeelhouder en dat de dga en de bv zich daarvan bewust waren. Ten aanzien van het sleutelgeld stond vast dat de dga dit had ontvangen. De rechtbank beantwoordde de vraag of aannemelijk was dat de dga dit sleutelgeld in zijn hoedanigheid van aandeelhouder van de bv had ontvangen bevestigend. Gezien de betrokkenheid van de dga bij de totstandkoming van de nieuwe huurovereenkomst vond de rechtbank aannemelijk dat de dga en de bv zich hiervan bewust waren.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBNHO201811087, HAA 16/5927 | 17-01-2019
januari 17th, 2019|

Besteding geleend geld aan eigen woning

Een lening die is aangegaan voor de aanschaf, het onderhoud of de verbetering van een eigen woning wordt aangemerkt als een eigenwoningschuld. De betaalde rente over een eigenwoningschuld is aftrekbaar voor de inkomstenbelasting.
Om een lening als eigenwoningschuld aan te kunnen merken moet de woningeigenaar aannemelijk maken dat hij het geleende geld heeft besteed voor de eigen woning. Dat kan met behulp van nota’s en betaalbewijzen. Kan de woningeigenaar de besteding van het geleende geld niet aannemelijk maken, dan is de rente over de lening niet aftrekbaar.

In een procedure voor Hof Arnhem-Leeuwarden was in geschil of leningen, die enkele jaren na de aanschaf van de woning waren aangegaan, als eigenwoningschuld konden worden aangemerkt. Geruime tijd voor het aangaan van de leningen waren onderhouds- en verbeteringswerkzaamheden aan de woning uitgevoerd. De woningeigenaar had geen bewijsstukken van de besteding van het geleende geld. Een van de leningen was niet aangegaan door de woningeigenaar zelf, maar door zijn ouders. Het hof vond niet aannemelijk dat de leningen als eigenwoningschuld waren aan te merken. Dat betekende dat de rente over deze leningen niet aftrekbaar was.

Bron: Hof Arnhem-Leeuwarden | jurisprudentie | ECLINLGHARL201810848, nummers 18/00068, 18/00069 en 18/00070 | 10-01-2019
januari 10th, 2019|

Te late inkeer

Vrijwillige inkeer is een strafverminderende omstandigheid. Er is sprake van een vrijwillige inkeer wanneer een belastingplichtige voordat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de Belastingdienst met de onjuistheid of onvolledigheid van zijn aangifte bekend is of zal worden alsnog de juiste informatie verstrekt. De rechtbank Gelderland heeft het betoog van een belastingplichtige dat een beroep op de inkeerregeling mogelijk blijft zolang er een serieuze mogelijkheid bestaat dat de Belastingdienst niet op de hoogte raakt van de onregelmatigheid in de aangifte, afgewezen.

De rechtbank kwam tot dit oordeel in een procedure van een cliënt van de Zwitserse UBS-bank. De Belastingdienst heeft op 23 juli 2015 de Zwitserse belastingautoriteiten om informatie gevraagd over Nederlandse rekeninghouders van de bank. UBS heeft haar Nederlandse cliënten al in 2014 gevraagd om bewijzen van een juiste fiscale aangifte over te leggen. De bank heeft haar Nederlandse cliënten op de hoogte gesteld van het informatieverzoek. Nadat de Zwitserse Belastingdienst een officiële aankondiging over het informatieverzoek heeft gepubliceerd, hebben Nederlandse media op 27 september 2015 over het verzoek bericht. Volgens de rechtbank laten deze feiten geen andere conclusie toe dan dat de cliënt van de bank objectief gezien kon weten of vermoeden dat de Belastingdienst op de hoogte zou raken van de Zwitserse bankrekening. Pas daarna is het formele beroep op de inkeerregeling gedaan. Vervolgens heeft het nog ruim vier maanden geduurd voordat alle gegevens met betrekking tot de bankrekening aan de Belastingdienst zijn verstrekt.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBGEL20191, AWB 17/3271, 17/3315, 17/3316, 17/3317, 17/3318, 17/3319, 17/3320, 17/3321, 17/3322, 17/3323, 17/3324 en 17/3325 | 10-01-2019
januari 10th, 2019|

Ontbrekende verliesherzieningsbeschikking

Een negatief inkomen in box 1 van de inkomstenbelasting kan worden verrekend met positieve inkomens van eerdere of latere jaren. Een negatief inkomen wordt door de Belastingdienst in een verliesbeschikking vastgesteld. De verrekening van een verlies wordt ook bij beschikking vastgesteld. Wanneer een aanvankelijk vastgesteld verlies later wordt gewijzigd, bijvoorbeeld door het opleggen van een navorderingsaanslag, heeft dat gevolgen voor de verrekening van het eerder vastgestelde verlies.

De Belastingdienst stelde het inkomen in box 1 van een belastingplichtige over 2008 aanvankelijk vast op een negatief bedrag. Dit verlies werd bij beschikking verrekenend met het positieve inkomen van 2005. Vervolgens legde de Belastingdienst een navorderingsaanslag op over 2008, waardoor het inkomen op een positief bedrag uitkwam. Op het aanslagbiljet stond dat de verliesverrekening door de navordering over 2008 verviel. De Belastingdienst corrigeerde de verliesverrekening door het opleggen van een navorderingsaanslag over 2005. De daarvoor vereiste verliesherzieningsbeschikking over 2008 ontbrak echter. Dat was voor de rechtbank aanleiding om de navorderingsaanslag over 2005 te vernietigen.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBGEL20185454, AWB 17/4598 | 10-01-2019
januari 10th, 2019|

Winst bij verkoop grond belast

Box 1 van de inkomstenbelasting omvat naast de winst uit onderneming en het loon uit dienstbetrekking het resultaat uit een of meer werkzaamheden. Daartoe wordt gerekend het rendabel maken van vermogen op een wijze die normaal, actief vermogensbeheer te buiten gaat. Voorbeelden daarvan zijn het uitponden van onroerende zaken, het zelf verrichten van groot onderhoud of andere aanpassingen aan een zaak en het benutten van voorkennis of bijzondere vormen van kennis.

Volgens enkele arresten van de Hoge Raad leidt het uitponden van onroerende zaken op zich niet tot belastbare inkomsten. Er moeten aanvullende werkzaamheden worden verricht, die zijn gericht op het behalen van een redelijkerwijs te verwachten voordeel, dat hoger ligt dan het bij normaal actief vermogensbeheer te verwachten rendement. Het indienen van een verzoek tot wijziging van de op een perceel grond rustende bestemming is een voorbeeld van een aanvullende werkzaamheid waardoor de omvang van normale werkzaamheden binnen particulier vermogensbeheer wordt overschreden.

Dit deed zich voor bij iemand die twee percelen grond kocht en deze na wijziging van de bestemming met winst doorverkocht. Samen met een projectontwikkelaar had hij de gemeente benaderd over de mogelijkheid tot woningbouw op zijn percelen. Daarbij werd een schetsplan ingediend. Om het bestemmingsplan gewijzigd te krijgen voerde de grondeigenaar diverse malen overleg met de gemeente. De rechtbank ging niet mee in het betoog van de koper dat hij de percelen had verkocht omdat de locatie bij nader inzien niet geschikt was voor zijn onderneming. De rechtbank vond aannemelijk dat de grondeigenaar actief betrokken was geweest bij de pogingen om een bestemmingswijziging te bewerkstelligen. Gezien het feit dat de koopprijs was overeengekomen onder de voorwaarde dat de bestemmingswijziging zou plaatsvinden, had de grondeigenaar daar een financieel belang bij. Zonder bestemmingswijziging zouden de percelen beduidend minder waard zijn dan de overeengekomen prijs. De bestemmingswijziging was verdisconteerd in de overeengekomen koopprijs.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBGEL20185583, AWB 17/460 en AWB 17/461 | 10-01-2019
januari 10th, 2019|

JA, IK WIL ONLINE BOEKHOUDEN ZONDER GEDOE!


    Go to Top