Laden...
Nieuws2018-05-01T14:11:38+00:00

Nieuws

Houd deze pagina in de gaten voor het laatste nieuws en onze inloopspreekuren.

Parkeerbelasting verschuldigd bij stilstaan om te bellen

De Gemeentewet staat toe dat gemeenten parkeerbelasting heffen. Het begrip parkeren houdt in het gedurende een aaneengesloten periode laten staan van een voertuig voor een ander doel dan het onmiddellijk in- en uitstappen van personen of het onmiddellijk laden en lossen van zaken.

Volgens Hof Amsterdam betekent dit dat het stilzetten van een auto om een telefoongesprek te voeren op een parkeerplaats onder het begrip parkeren valt. Dat geldt ook als dat telefoongesprek en dus het stil staan van de auto slechts korte tijd heeft geduurd. Het hof begrijpt dat de automobilist, aan wie vanwege het voeren van een telefoongesprek een naheffingsaanslag parkeerbelasting is opgelegd, dit onredelijk vindt. De vraag of het onredelijk is parkeerbelasting te heffen in deze situatie staat niet aan de belastingrechter ter beoordeling.

Bron: Hof Amsterdam | jurisprudentie | ECLINLGHAMS20192491, 18/00245 | 15-08-2019
augustus 15th, 2019|

Auto met transportschade is nieuw voor bpm

Bij de registratie in Nederland van een personenauto of motorfiets moet belasting van personenauto’s en motorfietsen (bpm) worden betaald. Dat geldt ook voor de registratie van een uit het buitenland afkomstig gebruikt voertuig. De bpm voor een gebruikt voertuig is lager dan voor een nieuw voertuig. De kwalificatie als nieuw of gebruikt is daarom belangrijk. Een nieuwe personenauto voor de bpm is volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad een auto die niet of nauwelijks is gebruikt.

Een auto zonder gebruikssporen maar met transportschade is volgens Hof Arnhem-Leeuwarden een nieuwe auto. Transportschade is geen gevolg van gebruik en daarom niet van belang voor de kwalificatie van de auto als nieuw of gebruikt. De auto met transportschade had bij registratie slechts 20 kilometer gereden. Volgens Hof Arnhem-Leeuwarden was de auto na vervaardiging nauwelijks gebruikt. Afschrijving op de bpm in verband met gebruik was niet aan de orde.

Bron: Hof Arnhem-Leeuwarden | jurisprudentie | ECLINLGHARL20195721, 18/00281 | 15-08-2019
augustus 15th, 2019|

Billijke vergoeding na ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid?

Bij de Hoge Raad is een procedure aanhangig van een werkneemster, die is ontslagen wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. De AG bij de Hoge Raad concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.

De casus is als volgt. De werkgever heeft de dienstbetrekking met de werkneemster opgezegd met toestemming van het UWV en met inachtneming van de geldende opzegtermijn. Bij het einde van het dienstverband heeft de werkgever een transitievergoeding betaald. De werkneemster verzoekt om een billijke vergoeding omdat de opzegging het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. Volgens de werkneemster bestaat dat ernstig verwijtbare handelen uit tekortkomingen van de werkgever in het re-integratieproces.

Het Burgerlijk Wetboek biedt de rechter de mogelijkheid om ten laste van de werkgever een billijke vergoeding toe te kennen in die situatie.

Ernstig verwijtbaar handelen wordt niet snel aangenomen. Onvoldoende re-integratie-inspanningen van de werkgever leveren nog geen ernstig verwijtbaar handelen op, ook niet als het UWV om die reden een loonsanctie heeft opgelegd. Volgens een arrest van de Hoge Raad moet de rechter het criterium ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever met terughoudendheid toepassen. Dit betekent dat de werkgever alleen in uitzonderlijke gevallen een billijke vergoeding verschuldigd is.

Naar de mening van de AG heeft het hof terecht geoordeeld dat de hoge drempel voor het aannemen van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever niet is overschreden door de tekortkomingen van de werkgever bij de re-integratie.

Bron: Hoge Raad | Conclusie AG | ECLINLPHR2019772, 18/03950 | 15-08-2019
augustus 15th, 2019|

Aanpassing BPM per 1 juli 2020

De BPM, de belasting van personenauto’s en motorfietsen, wordt geheven aan de hand van de CO2-uitstoot van het betreffende voertuig. Sinds 1 september 2018 moeten nieuwe auto’s in de Europese Unie worden getest met de WLTP-methode. Deze methode vervangt de verouderde NEDC-methode. Voor de berekening van de verschuldigde BPM wordt echter nog steeds uitgegaan van de CO2-uitstoot volgens de NEDC-methode. Uit onderzoek is gebleken dat de CO2-uitstoot van personenauto’s volgens de WLTP-methode gemiddeld hoger is dan volgens de NEDC. Het kabinet heeft toegezegd dat de BPM-opbrengst niet zal stijgen als gevolg van de wijziging van testmethode. De veranderde testmethode maakt auto’s immers niet minder zuinig.

Vanaf 2021 mag de gemiddelde CO2-uitstoot van nieuwe personenauto’s niet hoger zijn dan 95 gram per kilometer. Dat is een Europese norm, gebaseerd op de NEDC-methode. Daarom krijgen alle WLTP-geteste auto’s tot en met 2021 ook een CO2-uitstoot conform de NEDC. Dat kan een berekende waarde zijn of een testwaarde.

In de Wet Overige fiscale maatregelen 2017 is geregeld dat de NEDC CO2-uitstoot van WLTP- auto’s gebruikt kan worden voor de heffing van BPM. Dat is een tijdelijke oplossing totdat een op WLTP-testresultaten gebaseerde tarieftabel beschikbaar is. Uit onderzoek van TNO blijkt dat de NEDC CO2-uitstoot van WLTP-auto’s hoger is dan verwacht. Dat zou leiden tot een stijging van de BPM. Het verschil in CO2-uitstoot kan worden verklaard doordat de nieuwe WLTP-auto’s gemiddeld zwaarder zijn en over meer motorvermogen beschikken dan hun NEDC-voorgangers.

Uit de onderzoeksresultaten van TNO maakt het kabinet op dat er voldoende inzicht is in de CO2-uitstoot van WLTP-auto’s om de tarieven van de BPM zodanig vast te stellen dat de gevolgen van de WLTP-omzetting voor de opbrengst van de BPM beperkt zijn. Omdat omzetting per 1 januari 2020 voor de autobranche te vroeg komt, kiest het kabinet ervoor om de nieuwe BPM-tarieftabel op te nemen in het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2020. De inwerkingtredingsdatum wordt 1 juli 2020. Dit betekent dat tot en met 30 juni 2020 de NEDC CO2-uitstoot de heffingsgrondslag blijft van de BPM.

Bron: Ministerie van Financiën | publicatie | 2019-0000110124 | 08-08-2019
augustus 8th, 2019|

Bedragen kinderopvangtoeslag 2020

De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft een ontwerpbesluit gepubliceerd met geïndexeerde bedragen voor de kinderopvangtoeslag per 2020.

  • De maximum uurprijs voor dagopvang stijgt van € 8,02 naar € 8,17.
  • De maximum uurprijs voor buitenschoolse opvang stijgt van € 6,89 naar € 7,02.
  • De maximum uurprijs voor gastouderopvang gaat omhoog van € 6,15 naar € 6,27.

De kinderopvangtoeslag voor het eerste kind bedraagt voor ouders met de laagste inkomens 96%. Het bijdragepercentage voor het eerste kind daalt met het stijgen van het inkomen tot 33,33%. In 2020 gebeurt dat bij een toetsingsinkomen van € 126.832. In 2019 gebeurt dat bij een inkomen van € 123.920.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken Thu, 08 Aug 2019 05:00:00 +0100
augustus 8th, 2019|

Beperking duur alimentatie

De Eerste Kamer heeft onlangs een wetsvoorstel aangenomen dat de duur van de partneralimentatie beperkt tot de helft van de duur van het huwelijk. Er geldt een maximumduur van vijf jaar. Op deze duur zijn twee uitzonderingen. De eerste uitzondering betreft langdurige huwelijken. De tweede uitzondering betreft huwelijken met jonge kinderen.

Bij huwelijken, die langer dan 15 jaar hebben geduurd, geldt een maximale duur van de partneralimentatie van tien jaar als de alimentatiegerechtigde maximaal tien jaar jonger is dan de AOW-leeftijd. Deze regeling geldt gedurende zeven jaar ook voor alimentatiegerechtigden van 50 jaar en ouder, mits het huwelijk langer dan 15 jaar heeft geduurd.

Zijn er kinderen jonger dan 12 jaar betrokken bij de echtscheiding dan bedraagt de duur van de partneralimentatie maximaal 12 jaar.

Bron: Overig Thu, 08 Aug 2019 05:00:00 +0100
augustus 8th, 2019|

JA, IK WIL ONLINE BOEKHOUDEN ZONDER GEDOE!


    Go to Top