Nieuws
Houd deze pagina in de gaten voor het laatste nieuws en onze inloopspreekuren.
Kamervragen nieuwe KOR
Per 1 januari 2020 verandert de kleineondernemersregeling (KOR) in de omzetbelasting. De nieuwe KOR kent een omzetgrens van € 20.000. Ondernemers die onder deze omzetgrens blijven in een kalenderjaar zijn vrijgesteld van omzetbelasting en de bijbehorende administratieve verplichtingen. De oude KOR kent een afdrachtsdrempel van € 1.883. Tot dat bedrag geldt een vermindering van de afdracht. Niet alle ondernemers, die onder de oude KOR vallen, voldoen aan de voorwaarden van de nieuwe KOR. Het is mogelijk dat een ondernemer na aftrek van voorbelasting onder de afdrachtsdrempel van de oude KOR blijft, terwijl zijn omzet boven de omzetdrempel van de nieuwe KOR uitkomt.
Ondernemers, die onder de oude KOR zijn ontheven van administratieve verplichtingen, worden automatisch overgezet naar de nieuwe KOR. Verwacht een dergelijke ondernemer in 2020 de omzetgrens te overschrijden, dan moet hij zelf een verzoek doen om uitreiking van aangiften.
Op 29 juli 2019 heeft het Hof van Justitie EU een arrest gewezen over de toepassing van de KOR door een ondernemer die de margeregeling toepast. Volgens dit arrest moet een dergelijke ondernemer zijn omzet berekenen op transactiebasis en niet op basis van de winstmarges. Deze uitleg van de Btw-richtlijn 2006 geldt voor alle lidstaten, en dus ook voor de nieuwe Nederlandse KOR. Volgens de staatssecretaris van Financiën hoeft de wettelijke regeling niet te worden aangepast naar aanleiding van dit arrest. Ook is het arrest van het Hof van Justitie EU geen reden om de omzetgrens van € 20.000 te verhogen.
Recht op herziening aftrek voorbelasting voor bouw gymnastieklokalen
In een procedure bij de Hoge Raad speelde de vraag of de omzetbelasting, die drukte op de aankoop van een investeringsgoed dat de ondernemer zowel voor economische als voor niet-economische activiteiten gebruikt, kan worden herzien als de onderlinge verhouding tussen economisch en niet-economisch gebruik wijzigt. De Hoge Raad is van oordeel dat herziening in die situatie mogelijk is.
De procedure heeft betrekking op gymnastieklokalen die een gemeente heeft laten bouwen. Voor zover de gemeente de lokalen zonder vergoeding ter beschikking stelde, vormde dat geen economische activiteit. Dat betekent dat aan de vraag of de gemeente als overheid handelde niet wordt toegekomen.
De Hoge Raad stelde voorop dat aan herziening van aftrek uitsluitend wordt toegekomen wanneer de betrokkene een goed in zijn hoedanigheid van ondernemer heeft verworven. Is dat niet het geval, dan ontstaat geen recht op aftrek en dus ook geen recht op eventuele herzieningen van de aftrek. De omvang van de in aftrek te brengen omzetbelasting en van latere herziening is afhankelijk van het voorgenomen of daadwerkelijke gebruik van het goed. Dat gebruik is niet van invloed op het ontstaan van het recht op aftrek.
Bij de beoordeling of iemand handelt als ondernemer wordt gelet op alle omstandigheden, waaronder de aard van het betrokken goed en het tijdsverloop tussen de verwerving van het goed en het gebruik daarvan voor economische activiteiten.
De gemeente heeft de gymnastieklokalen van meet af aan voor een deel van de gebruikstijd gebruikt voor belaste economische activiteiten. Volgens de Hoge Raad betekent dit dat de gemeente de gymnastieklokalen heeft verworven in haar hoedanigheid van ondernemer. Dat betekent dat recht op aftrek is ontstaan voor aan de bouw van de gymnastieklokalen toerekenbare omzetbelasting.
Geen proceskostenvergoeding voor advocaat die werkgever bijstaat
Voor professionele rechtsbijstand in een belastingprocedure kan om een proceskostenvergoeding worden gevraagd. Om recht te hebben op een vergoeding moet de belanghebbende ten minste deels in het gelijk worden gesteld. De rechtsbijstand moet verleend worden door een derde. Een werknemer, die rechtsbijstand aan zijn werkgever verleent, kan in de regel ten opzichte van de werkgever niet als een derde worden aangemerkt. Dat heeft de Hoge Raad in een arrest uit 2009 bepaald. Nu heeft de Hoge Raad daaraan toegevoegd dat dit niet anders wordt als de werknemer advocaat is.
De Hoge Raad is van oordeel dat Hof Amsterdam terecht geen proceskostenvergoeding heeft toegekend in het geval van een advocaat, die zijn werkgever in een procedure van rechtsbijstand voorzag. De werkgever was overigens ook advocaat.
Belastingplan 2020 op hoofdlijnen
Het pakket Belastingplan 2020 bestaat uit zes wetsvoorstellen. Het betreft:
- het wetsvoorstel Belastingplan 2020;
- het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2020;
- het wetsvoorstel Wet fiscale maatregelen Klimaatakkoord;
- het wetsvoorstel Wet bronbelasting 2021;
- het wetsvoorstel Wet afschaffing fiscale aftrek scholingsuitgaven; en
- het wetsvoorstel Wet implementatie richtlijn harmonisatie en vereenvoudiging handelsverkeer tussen lidstaten.
Belastingplan 2020
Het Belastingplan 2020 bevat de invoering van het tweeschijvenstelsel in de inkomstenbelasting per 2020 in plaats van per 2021. De arbeidskorting en de algemene heffingskorting worden verhoogd. De verhoging van de algemene heffingskorting pakt positief uit voor lagere inkomens.
Het hoge tarief in de vennootschapsbelasting voor winsten boven 200.000 wordt in 2020 niet verlaagd. Ten opzichte van de Wet bedrijfsleven 2019 wordt het hoge tarief met 1,2%-punt minder verlaagd. Het hoge tarief blijft 25% in 2020 en wordt per 1 januari 2021 verlaagd naar 21,7%. Het lage tarief van de vennootschapsbelasting komt met ingang van 1 januari 2021 uit op 15%.
Het verschil in fiscale behandeling tussen werknemers en zelfstandigen wordt aangepakt om oneerlijke concurrentie op arbeidsvoorwaarden te bestrijden. Daarom wordt enerzijds de arbeidskorting verhoogd en anderzijds de zelfstandigenaftrek geleidelijk verlaagd. De zelfstandigenaftrek daalt met ingang van 2020 in acht stappen van € 250 en één stap van € 280 van € 7.280 naar € 5.000 in 2028.
Voor het leveren en uitlenen van boeken, kranten en tijdschriften op een fysieke drager of langs elektronische weg gaat het verlaagde btw-tarief van 9% gelden. Het verlaagde btw-tarief geldt ook voor de toegangverlening tot nieuwswebsites van kranten, tijdschriften of journalistieke onderzoeksplatforms.
Overige fiscale maatregelen 2020
In dit wetsvoorstel wordt voorgesteld om vergrijpboeten, die zijn opgelegd aan medeplegende beroepsbeoefenaars die belastingontduiking of toeslagfraude faciliteren, openbaar te maken.
Ook wordt een keuzeregeling voor elektronisch berichtenverkeer met de Belastingdienst voorgesteld. Die regeling maakt het mogelijk om zaken met de Belastingdienst op papier of digitaal te regelen.
Het wetsvoorstel bevat verder de implementatie van de WLTP-testmethode in de autobelastingen.
Wet fiscale maatregelen Klimaatakkoord
Dit wetsvoorstel betreft fiscale maatregelen op het terrein van mobiliteit, gebouwde omgeving en afval. Buitenlands afval wordt in de heffing van afvalstoffenbelasting betrokken. In 2020 wordt eenmalig het budget voor de milieu-investeringsaftrek met € 10 miljoen verhoogd. De Milieulijst wordt tijdelijk uitgebreid met een aantal circulaire bedrijfsmiddelen.
Wet bronbelasting 2021
Met ingang van 2021 wordt een voorwaardelijke bronbelasting op rente- en royaltybetalingen naar laagbelastende jurisdicties en in misbruiksituaties ingevoerd. Deze moet voorkomen dat Nederland nog langer wordt gebruikt voor doorstroomactiviteiten naar laagbelastende jurisdicties.
Wet afschaffing fiscale aftrek scholingsuitgaven
De bestaande fiscale aftrek voor scholingsuitgaven wordt afgeschaft en vervangen door de subsidieregeling STAP-budget (STimulans van de ArbeidsmarktPositie) voor mensen met een band met de Nederlandse arbeidsmarkt. Het doel is een meer effectieve en doelmatige inzet van de beschikbare middelen voor scholing.
Wet implementatierichtlijn harmonisatie en vereenvoudiging handelsverkeer tussen lidstaten
Dit wetsvoorstel bevat een aantal aanpassingen waartoe de Europese Richtlijn harmonisatie en vereenvoudiging intracommunautair handelsverkeer verplicht.
Maatregelen vennootschapsbelasting
Tarieven
Het hoge tarief van de vennootschapsbelasting voor winsten boven een bedrag van € 200.000 wordt in 2020 niet verlaagd en blijft 25%. Met ingang van 2021 gaat het hoge tarief omlaag naar 21,7%. Dat is hoger dan het eerder aangekondigde tarief van 20,5%. Het lage tarief bedraagt in 2020 17,5% en met ingang van 2021 15%.
Voornemens
Het kabinet is van plan om per 2021 het effectieve tarief van de innovatiebox te verhogen van 7 naar 9% en om de liquidatie- en stakingsverliesregeling aan te passen. Verder is het plan om de betalingskorting bij betaling ineens voor de vennootschapsbelasting per 2021 af te schaffen.
Aanpassen tonnageregeling
De tonnageregeling biedt de mogelijkheid om de winst uit zeescheepvaart forfaitair vast te stellen aan de hand van de scheepstonnage. Grondslag voor de heffing is een bedrag per nettoton van de geëxploiteerde kwalificerende schepen. Per 1 januari 2020 wordt de tonnageregeling gewijzigd. De wijzigingen betreffen schepen in tijd- of reischarter, het vlagvereiste en andere werkzaamheden dan vervoer van zaken of personen in het internationale verkeer over zee.
Maatregelen inkomstenbelasting
Tarieven
De al geplande invoering van het tweeschijvenstelsel wordt versneld doorgevoerd, namelijk per 1 januari 2020 in plaats van per 1 januari 2021. Het laagste tarief bedraagt in 2020 37,35% en het toptarief 49,5%. De afbouw van het maximale aftrektarief gaat gewoon door. De aftrek van diverse grondslagverminderende posten in de hoogste inkomensschijf is beperkt tot 46% in 2020.
Voor AOW-gerechtigden bedraagt het laagste tarief 19,2%.
Heffingskortingen
De algemene heffingskorting bedraagt maximaal € 2.711 en maximaal € 1.413 voor AOW-gerechtigden. De afbouw boven een inkomen van € 20.711 bedraagt 5,672% en 2,956% voor AOW-gerechtigden. De arbeidskorting bedraagt in 2020 maximaal € 3.595. Voor werkende AOW-gerechtigden is dit € 2.147. De afbouw bedraagt 6% vanaf een inkomen van € 34.989. Voor AOW-gerechtigden bedraagt de afbouw 3,125%
Overgangsrecht oude saldolijfrenten
Bij de invoering van de Wet IB 2001 is overgangsrecht opgenomen voor bestaande lijfrenten. Voor lijfrenten waarvan de premies geheel of gedeeltelijk niet aftrekbaar waren (saldolijfrenten) eindigt dit overgangsrecht met ingang van 1 januari 2021. Bij het einde van het overgangsrecht moet belasting worden betaald in box 1 over de waarde van de lijfrente minus de betaalde premie (het saldo), waarna de lijfrente overgaat naar box 3. Voorgesteld wordt nu de beëindiging van het overgangsrecht te beperken tot die oude saldolijfrenten waarmee belastingheffing langdurig kan worden uitgesteld.
Zelfstandigenaftrek
De zelfstandigenaftrek voor ondernemers gaat met ingang van 2020 geleidelijk omlaag. Dat gebeurt in acht stappen van € 250 en één stap van € 280. De zelfstandigenaftrek daalt van € 7.280 in 2019 naar € 5.000 in 2028.
Aftrekuitsluiting dwangsommen
In beginsel zijn alle zakelijke uitgaven die verband houden met de ondernemingsuitoefening aftrekbaar van de winst. Er geldt een uitzondering voor kosten en lasten die verband houden met boeten. Aan deze uitzondering worden bestuursrechtelijke dwangsommen en door de officier van justitie opgelegde strafbeschikkingen toegevoegd. Door de werkgever aan een werknemer vergoede bestuursrechtelijke dwangsommen of strafbeschikkingsbedragen kunnen niet worden aangewezen als eindheffingsbestanddelen. Dergelijke bedragen behoren verplicht tot het loon waarover de werknemer belasting is verschuldigd. De aftrekuitsluiting geldt niet voor privaatrechtelijke dwangsommen.
Scholingsuitgaven
De fiscale aftrek van scholingsuitgaven wordt afgeschaft en vervangen door een subsidieregeling. Het gaat om de nog in te voeren Subsidieregeling STAP-budget (Stimulans van de Arbeidsmarktpositie) voor natuurlijke personen met een band met de Nederlandse arbeidsmarkt. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft de contouren van deze regeling in een brief aan de Tweede Kamer beschreven. Vanwege de onderlinge samenhang wordt de aftrek van scholingsuitgaven afgeschaft op het moment waarop de Subsidieregeling STAP-budget in werking treedt.
Overgangsrecht
Het overgangsrecht voor scholingsuitgaven tot en met het studiejaar 2014/2015, die niet tot aftrek hebben geleid omdat recht bestond op een prestatiebeurs, blijft voorlopig in stand. Op grond van dit overgangsrecht bestaat alsnog recht op aftrek als de prestatiebeurs definitief niet wordt omgezet in een gift. Voorgesteld wordt dit overgangsrecht per 1 januari 2031 te laten vervallen.





