Laden...
Nieuws2018-05-01T14:11:38+00:00

Nieuws

Houd deze pagina in de gaten voor het laatste nieuws en onze inloopspreekuren.

Opzegging door werknemer niet voorwaardelijk gedaan

De wetgever heeft de werknemer willen behoeden voor de ernstige gevolgen die vrijwillige beëindiging van het dienstverband voor hem kan hebben. Daarom mag de werkgever niet te snel aannemen dat een verklaring van de werknemer daarop is gericht. Vereist is een duidelijke en ondubbelzinnige opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werknemer. Of de werkgever gevolgen mag verbinden aan de opzegging, hangt af van de omstandigheden van het geval, zoals de persoon van de werknemer, de gevolgen van de opzegging voor de werknemer en de omstandigheden waaronder de opzegging is gedaan.

Een procedure voor de kantonrechter had als inzet van het geschil het antwoord op de vraag of een arbeidsovereenkomst was opgezegd en zo ja, door wie: de werknemer of de werkgever.

De werknemer stelde zich op het standpunt dat de werkgever de arbeidsovereenkomst zonder toestemming van het UWV heeft opgezegd. De werkgever was van mening dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst was terug te voeren op een opzegging daarvan door de werknemer. De werknemer erkende dat hij de arbeidsovereenkomst had opgezegd, maar voerde aan dat de opzegging voorwaardelijk was gedaan, afhankelijk van het bereiken van overeenstemming over voortzetting van een tussen partijen bestaande innovatieovereenkomst.

De kantonrechter vond de bewoordingen van de opzeggingsbrief voldoende duidelijk en ondubbelzinnig gericht op het beëindigen van de arbeidsovereenkomst: de werknemer schreef dat hij het bedrijf wilde verlaten. Enig voorbehoud bij de opzegging werd niet gemaakt. Het ontbreken van een einddatum in de opzeggingsbrief heeft niet tot gevolg dat de opzegging niet duidelijk en ondubbelzinnig is gedaan. De einddatum wordt vaak in onderling overleg tussen werkgever en werknemer bepaald, waarbij onder meer wordt gekeken naar het over te dragen werk en de tijd die daarvoor nodig is. De werkgever had de opzegging op 15 februari 2019 bevestigd en als einddatum 31 maart 2019 vermeld. Op verzoek van de werknemer is de einddatum opgeschoven tot 30 april 2019.

Op 17 april 2019 deelde de werknemer aan de werkgever mee dat hij toch wilde blijven. Gelet op het tijdsverloop na de acceptatie door de werkgever kon volgens de kantonrechter van intrekking van de opzegging geen sprake zijn. Naar het oordeel van de kantonrechter is de verschuiving van de einddatum van 31 maart 2019 naar 30 april 2019 vormgegeven als een verlengde opzegtermijn. Die verlenging kan niet worden aangemerkt als een nieuwe arbeidsovereenkomst, in vervolg op de eerdere arbeidsovereenkomst, welke nieuwe arbeidsovereenkomst vervolgens door de werkgever is opgezegd.

De kantonrechter was van oordeel dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 30 april 2019 het gevolg was van de opzegging van de werknemer van 3 februari 2019.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBROT20198192, 7778056 | 31-10-2019
oktober 31st, 2019|

Snelle verbreking arbeidsovereenkomst kost werkgever geld

In een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd kan een proeftijd worden opgenomen. Tijdens de proeftijd kan zowel de werkgever als de werknemer de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang beëindigen. Zonder proeftijdbeding is een snelle beëindiging een stuk lastiger en kan het de werkgever veel geld kosten als hij de zorgvuldigheid uit het oog verliest, zo blijkt uit de volgende procedure.

Een werknemer met een vast dienstverband werd binnen twee weken na zijn indiensttreding ontslagen. Volgens de werkgever miste de werknemer de capaciteiten die vereist waren voor de functie. De ontslagbrief hield zowel een ontslag op staande voet als een opzegging van de arbeidsovereenkomst in. Voor opzegging van de arbeidsovereenkomst was geen toestemming van het UWV gevraagd en evenmin had de werkgever een ontbindingsverzoek bij de kantonrechter ingediend. De werknemer vorderde aanvankelijk vernietiging van de opzegging van het dienstverband. Tijdens de procedure berustte de werknemer in de beëindiging van het dienstverband en vorderde hij een billijke vergoeding. Wegens de korte duur van het dienstverband had de werknemer geen recht op een transitievergoeding. Vanwege zijn arbeidsverleden als zelfstandig ondernemer had de werknemer na de beëindiging van de dienstbetrekking geen recht op WW.

De kantonrechter rekende het de werkgever aan dat hij in één brief twee momenten noemde waartegen de arbeidsovereenkomst werd beëindigd. Daardoor was niet duidelijk of de werkgever de werknemer op staande voet heeft willen ontslaan of dat hij de arbeidsovereenkomst met inachtneming van een opzegtermijn heeft willen opzeggen. De kantonrechter was van oordeel dat de werkgever de arbeidsovereenkomst in strijd met de wet heeft opgezegd. Vanwege deze strijdigheid veroordeelde de kantonrechter de werkgever tot betaling van een vergoeding aan de werknemer van € 25.000.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBDHA201910056, 7921299 EJ19-84729 | 24-10-2019
oktober 24th, 2019|

Geen invorderingsrente als aanmaning tot betaling niet is ontvangen

Bij betaling van een belastingaanslag nadat de betaaltermijn is verstreken, brengt de Ontvanger invorderingsrente in rekening.

In een arrest uit 2006 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de Belastingdienst geen verzuimboete op mag leggen als een belastingplichtige de aanmaning niet heeft ontvangen, tenzij het niet ontvangen van de aanmaning aan de belastingplichtige is toe te rekenen. Volgens de Hoge Raad geldt dat ook voor het verschuldigd worden van invorderingsrente.

De Ontvanger mocht geen invorderingsrente in rekening brengen aan een belanghebbende die erin is geslaagd om het vermoeden van ontvangst van de te laat betaalde belastingaanslag te ontzenuwen. De Ontvanger was er vervolgens niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de aanslag de belanghebbende wel heeft bereikt of dat het niet ontvangen de belanghebbende was aan te rekenen. Volgens de Hoge Raad is de rechter niet verplicht om een onderzoek in te stellen naar de door de Ontvanger in dit verband gestelde en aannemelijk te maken feiten.

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLINLHR20191439, 19/00151 | 17-10-2019
oktober 17th, 2019|

Woning in aanbouw en eigenwoningregeling

De Wet IB 2001 bevat een definitie van het begrip eigen woning. Daaronder wordt mede begrepen een woning in aanbouw, mits de belastingplichtige aannemelijk maakt dat de woning bestemd is om in het kalenderjaar of in een van de drie daaropvolgende jaren hem als eigen woning ter beschikking te staan. De Hoge Raad heeft in een arrest uit 2014 overwogen dat van een woning in aanbouw pas sprake is nadat de feitelijke bouwkundige werkzaamheden zijn gestart.

In een procedure voor Hof Den Bosch was de vraag aan de orde met ingang van welk jaar sprake was van een woning in aanbouw. De belanghebbende kocht in 2007 een perceel grond en sloot in dat jaar een bouwovereenkomst met een aannemer. Pas in 2009 werd met de bouw begonnen. In 2010 kwam de bouw stil te liggen door het faillissement van de aannemer. In 2012 zette de belanghebbende de in aanbouw zijnde woning te koop. De inspecteur stelde zich op het standpunt dat vanaf 2007 sprake was van een woning in aanbouw omdat in dat jaar concrete stappen werden gezet waaruit viel af te leiden dat de bouwwerkzaamheden binnen afzienbare tijd zouden gaan beginnen. Hof Den Bosch was van oordeel dat vanaf 2009 sprake was van een woning in aanbouw omdat in dat jaar de feitelijke werkzaamheden waren begonnen.

De volgende vraag die beantwoord moest worden was of door het te koop aanbieden de woning in aanbouw nog steeds als eigen woning kon worden aangemerkt. De staatssecretaris van Financiën heeft in een besluit uit 2009 goedgekeurd dat de eigenwoningregeling voor een nieuwe woning blijft gelden als deze is gekocht om er zelf in te gaan wonen en de woning leeg te koop staat. Deze goedkeuring geldt voor het kalenderjaar van aankoop van de nieuwe woning en de twee daaropvolgende jaren.

Voor de toepassing van het goedkeuringsbesluit geldt de woning in aanbouw vanaf 2009 als nieuwe woning. De in het besluit genoemde termijn was in 2012 verstreken. De verlenging van de maximale termijn voor het behoud van de hypotheekrenteaftrek van de verhuisregeling van twee naar drie jaar is niet van toepassing op een te koop staande nieuwe eigen woning. De tijdelijke verlenging ziet uitsluitend op de voormalige eigen woning, de leegstaande toekomstige eigen woning en de in aanbouw zijnde toekomstige eigen woning. Het hof zag geen aanleiding de verlenging van de termijn van de verhuisregeling ook toe te passen op de te koop staande nieuwe woning (leeg of in aanbouw), waarop het goedkeuringsbesluit uit 2009 betrekking heeft. Het hof merkt daarbij op dat het niet aan de belastingrechter is om begunstigend beleid te verruimen. Omdat de woning in aanbouw in 2012 niet meer als eigen woning kon worden aangemerkt, was de in dat jaar betaalde hypotheekrente niet aftrekbaar.

Bron: Hof Den Bosch | jurisprudentie | ECLINLGHSHE20191876, 18/00138 | 17-10-2019
oktober 17th, 2019|

Subsidieregeling sanering varkenshouderij

De eerder dit jaar aangekondigde en in concept gepubliceerde Subsidieregeling sanering varkenshouderij (Srv) is definitief vastgesteld. De regeling is op 11 oktober in de Staatscourant geplaatst. De Srv biedt varkenshouders die willen stoppen een marktconforme vergoeding voor het varkensrecht en een vergoeding voor het waardeverlies van de stallen. De regeling wordt op 25 november opengesteld. Het varkensrecht van stoppende boeren wordt opgekocht en uit de markt genomen. Hierdoor zal het aantal varkens in Nederland afnemen. De hoogte van de vergoeding voor het varkensrecht wordt enkele dagen voordien vastgesteld op basis van de dan geldende marktprijs. Varkenshouders die deelnemen aan de Srv mogen geen nieuwe varkenshouderij starten.

Inschrijving voor deelname aan de regeling is mogelijk van 25 november 2019 tot 15 januari 2020. De aanmelding verloopt via de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl).

Bron: Ministerie van Landbouw | publicatie | DGA / 19180124 | 17-10-2019
oktober 17th, 2019|

Nieuw btw-nummer voor eenmanszaken

Met ingang van 1 januari 2020 geldt voor ondernemers met een eenmanszaak een nieuw btw-identificatienummer. In dit nummer is het burgerservicenummer (BSN) van de ondernemer niet verwerkt, ter bescherming van diens privacy. Het btw-identificatienummer bestaat uit een reeks van 14 tekens en is als volgt opgebouwd: landcode NL, 9 cijfers, de letter B en een controlegetal van 2 cijfers. Een voorbeeld van het nieuwe btw-identificatienummer is NL123456789B56.

Ondernemers dienen het btw-identificatienummer op facturen, briefpapier en hun website te vermelden om zich te identificeren als btw-plichtig ondernemer. Het bestaande btw-nummer wordt omgedoopt tot omzetbelastingnummer en blijft in gebruik voor communicatie met de Belastingdienst en voor de btw-aangifte. Het omzetbelastingnummer bestaat uit het BSN met de toevoeging B01 (of een ander getal). De Belastingdienst stuurt ondernemers met een eenmanszaak voor de jaarwisseling een brief waarin het btw-identificatienummer staat.

Bron: Ministerie van Financiën | publicatie | 14-10-2019
oktober 14th, 2019|

JA, IK WIL ONLINE BOEKHOUDEN ZONDER GEDOE!


    Go to Top