Nieuws
Houd deze pagina in de gaten voor het laatste nieuws en onze inloopspreekuren.
Verzoek gedeeltelijke transitievergoeding te laat ingediend
In de zogenaamde Kolombeschikking heeft de Hoge Raad geoordeeld dat onder omstandigheden een werknemer bij een gedeeltelijk ontslag recht heeft op een gedeeltelijke transitievergoeding. De Hoge Raad overwoog in deze beschikking onder meer dat de wet niet voorziet in gedeeltelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst, aangezien een arbeidsovereenkomst slechts in haar geheel kan worden opgezegd of ontbonden. Bij de regeling van de transitievergoeding is bij dit wettelijk stelsel aangesloten en is een transitievergoeding alleen verschuldigd als de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd. De Hoge Raad is van oordeel dat bij een door omstandigheden gedwongen substantiële en structurele vermindering van de arbeidstijd de werknemer recht heeft op een gedeeltelijke transitievergoeding.
Hoewel de wettelijke regeling de gedeeltelijke transitievergoeding niet kent, is Hof Den Bosch van mening dat voor het overige de wettelijke regeling wel van toepassing is. Dat betekent dat de vervaltermijn van drie maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd voor de bevoegdheid om een verzoekschrift bij de kantonrechter in te dienen van kracht blijft. De transitievergoeding waarop een werknemer op grond van de Kolombeschikking in bepaalde gevallen aanspraak kan maken is volgens het hof geen andere dan de transitievergoeding als bedoeld in het Burgerlijk Wetboek. De Hoge Raad heeft in de Kolombeschikking geen zelfstandige grondslag voor de aanspraak op een gedeeltelijke transitievergoeding heeft gecreëerd, maar een uitleg gegeven van de wettelijke regeling.
In de door het hof behandelde zaak was de arbeidstijd van de werknemer met ingang van 25 april 2017 verminderd. De bevoegdheid tot het indienen van een verzoek tot een transitievergoeding voor het deel van de arbeidsovereenkomst dat is geëindigd, verviel drie maanden later, dus op 26 juli 2017. Het verzoekschrift is op 12 december 2018 ontvangen door de griffie van de rechtbank. Het hof was van oordeel dat het beroep van de werkgever op de vervaltermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is.
Het hof heeft de werknemer niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot een gedeeltelijke transitievergoeding, omdat dit verzoek niet is ingediend binnen drie maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst (gedeeltelijk) is geëindigd.
Wetsvoorstel pensioenverdeling bij scheiding 2021
Bij de Tweede Kamer is het voorstel voor de Wet pensioenverdeling bij scheiding 2021 (Wps 2021) in behandeling. De Wps 2021 is de opvolger van de Wet verevening van pensioenrechten bij scheiding (Wvps). De Kamer wil, alvorens verder te gaan met de behandeling, van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in concept de lagere regelgeving. De minister heeft de gevraagde lagere regelgeving opengesteld voor internetconsultatie en toegestuurd aan de Tweede Kamer.
In geval van een scheiding wordt volgens de Wps 2021 zowel het ouderdomspensioen als het partnerpensioen dat tijdens de huwelijkse periode is opgebouwd verdeeld, tenzij dit bij overeenkomst is uitgesloten. De Wps 2021 schrijft conversie voor als de standaard verdeelmethode. Bij deze conversie wordt de helft van de waarde van het ouderdomspensioen en van het partnerpensioen, voor zover opgebouwd tijdens de huwelijksperiode, omgezet in een zelfstandige aanspraak op ouderdomspensioen voor de verdelingsgerechtigde partner. De conversiewaarde is de waarde van de pensioenaanspraak bij scheiding verminderd met de waarde van de pensioenaanspraak op de huwelijksdatum, inclusief het beleggingsrendement, de kosten en risicopremies daarover tijdens de huwelijkse periode.
Het conceptbesluit bij de Wps 2021 bevat uniforme verdeelmethodes en rekenregels. Pensioenuitvoerders moeten op verzoek een opgave verstrekken van de berekening van de pensioenverdeling. Vanaf de inwerkingtreding van de wet zijn pensioenuitvoerders verplicht om de gegevens op te nemen die nodig zijn om een conversie over de huwelijkse periode uit te kunnen voeren. Dit betekent dat pensioenuitvoerders de waarde van de pensioenaanspraak op de huwelijksdatum moeten administreren, en hierna de plussen en minnen hierover moeten bijhouden. In situaties waarin deze gegevens ontbreken kunnen pensioenuitvoerders gebruik maken van de verhoudingsgewijze verdeelmethode. Daarin wordt de waarde van de pensioenaanspraak op de huwelijksdatum berekend door de waarde op de scheidingsdatum te vermenigvuldigen met het aantal huwelijksjaren en te delen door het aantal deelnemingsjaren.
In de bij de wet behorende lagere regelgeving wordt vastgelegd dat alle informatie, die van belang is voor de uitvoering van een scheiding, moet worden meegegeven bij een waardeoverdracht. Deze informatieverplichting geldt niet voor de bestaande kleine pensioenen die de komende jaren worden overgedragen.
In de Wps 2021 is geregeld dat een pensioenuitvoerder bevoegd is om de kosten van een verdeling voor de helft aan de partners in rekening te brengen. In de memorie van toelichting is aangekondigd dat de kosten zullen worden gemaximeerd. In dit besluit wordt voorgesteld om de kosten te maximeren op € 100 per partner. Er is geen verplichting voor pensioenuitvoerders om kosten in rekening te brengen.
Vermogensplafond zorgtoeslag 2020 bekend
Het recht op zorgtoeslag is niet alleen inkomens- maar ook vermogensafhankelijk. Verzekerden met een vermogen dat hoger is dan het heffingvrije vermogen in box 3 van de inkomstenbelasting plus € 84.416 hebben geen recht op zorgtoeslag. Met ingang van 1 januari 2020 wordt het bedrag van € 84.416 vervangen door € 85.767.
Premiepercentages en maximum premieloon 2020
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft premiepercentages en het maximum premieloon voor het jaar 2020 vastgesteld.
|
Aow |
17,90% |
|
Anw |
0,10% |
|
Awf, laag |
2,94% |
|
Awf, hoog |
7,94% |
|
Ufo |
0,68% |
|
Aof, basispremie |
6,77% |
|
Opslag kinderopvang |
0,50% |
|
Maximum premieloon |
€ 57.232 |
Eigenwoningforfait 0,6% in 2020
De staatssecretaris van Financiën heeft de Tweede Kamer geïnformeerd over de indexering van het eigenwoningforfait per 1 januari 2020. De wettelijke indexering daarvan vindt plaats aan de hand van de ontwikkeling van het indexcijfer van de woninghuren (stijging van 2,58%) en de ontwikkeling van de woningwaarden (stijging van 8,6%). Het op basis daarvan berekende eigenwoningforfait wordt naar beneden afgerond op een veelvoud van 0,05%-punt. Deze indexering leidt voor 2020 niet tot een wijziging. Op grond van het Belastingplan 2019 wordt het eigenwoningforfait per 1 januari 2020 verlaagd met 0,05%-punt tot 0,6%.
In dezelfde brief heeft de staatssecretaris de hoogte van de arbeidskorting na indexering meegedeeld. De indexering van de arbeidskorting wordt niet alleen door de tabelcorrectiefactor bepaald, maar ook door de ontwikkeling van het wettelijk minimumloon. Voor het jaar 2020 is het verloop van de arbeidskorting na indexatie en voorgestelde beleidsmatige wijzigingen als volgt.
| Arbeidsinkomen | Arbeidskorting | Maximaal |
| Tot € 9.921 | 2,812% van arbeidsinkomen | € 279 |
| Van € 9.921 tot € 21.430 | € 279 + 28,812% van het meerdere | € 3.595 |
| Van € 21.430 tot € 34.954 | € 3.595 + 1,656% van het meerdere | € 3.819 |
| Van € 34.954 tot € 98.604 | € 3.819 – 6,0% van het meerdere | – |
| Vanaf € 98.604 | nihil |
Tweede Kamer heeft Belastingplan 2020 aangenomen
De Tweede kamer heeft de wetsvoorstellen, die samen het pakket Belastingplan 2020 vormen, aangenomen. Ook het wetsvoorstel implementatie tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking (ATAD2) en het wetsvoorstel implementatie EU-richtlijn meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies (DAC6) zijn aangenomen.
De Tweede Kamer heeft via amendementen enkele wijzigingen aangebracht. Zo wordt in de tonnageregeling het winstplafond voor niet-vervoerswerkzaamheden vervangen door een bruto-omzetplafond en wordt de heffingsvermindering in de verhuurderheffing uitgebreid naar meer regio’s dan alleen schaarstegebieden. Verder heeft de Tweede Kamer afgedwongen dat het Koninklijk Besluit dat de inwerkingtreding van de Wet afschaffing fiscale aftrek scholingsuitgaven regelt, vooraf zal worden voorgelegd aan de Tweede en de Eerste Kamer.
De Tweede Kamer heeft bij de behandeling van het Belastingplan 2020 ook een aantal moties aangenomen. Het gaat onder meer om de volgende moties:
- Een motie waarin gevraagd wordt ervoor te zorgen dat de glastuinbouw een beroep kan doen op de SDE+-regeling voor de verduurzaming van kassen, voor de aanschaf van zonnepanelen en voor geothermie.
- Een motie waarin gevraagd wordt onderzoek te doen naar de effecten van verstoringen in het globaal evenwicht binnen de inkomstenbelasting.
- Een motie waarin gevraagd wordt onderzoek te doen naar modernisering van de reiskostenvergoeding.
- Een motie waarin gevraagd wordt om een onafhankelijke toetsing van de budgettaire gevolgen van de omzetting van NEDC1 naar NEDC2 en van NEDC2 naar WLTP voor de bpm.
- Een motie om bij de bouwstenen voor een nieuw belastingstelsel ook mogelijkheden voor hogere belastingen op vermogens boven € 1 miljoen te onderzoeken.
- Een motie om de Algemene Rekenkamer op te dragen te onderzoeken welk rendement in box 3 in de jaren 2013 tot en met 2016 zonder te veel risico’s haalbaar was.





