Laden...
Nieuws2018-05-01T14:11:38+00:00

Nieuws

Houd deze pagina in de gaten voor het laatste nieuws en onze inloopspreekuren.

Waardestijging aandelen door overlijden lijfrentegerechtigde

De Successiewet merkt in bepaalde gevallen de waardestijging van aandelen in een vennootschap als gevolg van overlijden aan als een erfrechtelijke verkrijging. De wetsbepaling geldt alleen voor aandelen die een aanmerkelijk belang vormen, waarvan de houder een familielid is van de overledene. Deze bepaling is ingevoerd om een einde te maken aan constructies waarbij iemands oudedagsvoorziening werd ondergebracht in een vennootschap waarvan de aandelen werden gehouden door anderen om de waardestijging van de aandelen door de vrijval van de oudedagsvoorziening onbelast te kunnen genieten. Een erfrechtelijke verkrijging wordt in aanmerking genomen naar de waarde in het economische verkeer op het tijdstip van de verkrijging. Op dat tijdstip moet de waarde van de aandelen en de waardestijging van de aandelen door het overlijden worden bepaald.

De vraag in een procedure was of de waardestijging van aandelen was veroorzaakt door het overlijden van een lijfrentegerechtigde of door de korte tijd voor het overlijden geconstateerde ongeneeslijke ziekte. Volgens het hof en de Hoge Raad behoorde ook een eventuele eerdere afwaardering van de lijfrenteverplichting tot de te belasten waardestijging van de aandelen.

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLINLHR2019235, 18/01139 | 20-02-2019
februari 20th, 2019|

Forensenbelasting

Gemeenten mogen forensenbelasting heffen van natuurlijke personen die, terwijl zij elders hun hoofdverblijf hebben, in de gemeente op meer dan 90 dagen de beschikking hebben over een gemeubileerde woning voor zichzelf of hun gezin.

Wanneer een gemeubileerde woning is bestemd voor de verhuur, maar ook door de eigenaar zelf wordt gebruikt, wordt de gehele periode waarin eigen gebruik niet in verband met verhuur is uitgesloten, toegerekend aan de periode waarin de woning de eigenaar ter beschikking staat.

Er mag geen aanslag forensenbelasting worden opgelegd wanneer de eigenaar de vakantiewoning niet heeft gebruikt of niet op meer dan 90 dagen per jaar beschikbaar heeft gehouden voor zichzelf of zijn gezin.

De eigenaar van een vakantiewoning verhuurde deze in 2016 via een bemiddelingsbureau. De eigenaar had het bemiddelingsbureau echter niet het exclusieve recht tot verhuur toegekend. Dat zou betekenen dat hij zelf niet in de woning zou kunnen verblijven als deze niet verhuurd is. Op grond van de verhuurbemiddelingsovereenkomst was eigen gebruik door de eigenaar en zijn gezin gemaximeerd op 90 dagen. Die bepaling vormde volgens Hof Arnhem-Leeuwarden geen reële beperking van de beschikbaarheid van de woning. In ieder geval kon niet op grond van deze bepaling worden geoordeeld dat het eigen gebruik gedurende meer dan 90 dagen was uitgesloten. Naar het oordeel van het hof was terecht een aanslag forensenbelasting opgelegd.

Bron: Hof Arnhem-Leeuwarden | jurisprudentie | ECLINLGHARL20191369 | 20-02-2019
februari 20th, 2019|

Goedkeuringswet Multilateraal Verdrag

De Tweede Kamer heeft het wetsvoorstel ter goedkeuring van het Multilateraal Verdrag ter implementatie van aan belastingverdragen gerelateerde maatregelen ter voorkoming van grondslaguitholling en winstverschuiving aangenomen. Het Multilateraal Verdrag maakt het mogelijk om bestaande belastingverdragen eenzijdig aan te passen aan maatregelen tegen belastingontwijking, zonder hierover te hoeven onderhandelen met de verdragspartner.

Het Multilateraal Verdrag bevat een bepaling over de kunstmatige vermijding van de status van vaste inrichting. In een amendement op het wetsvoorstel is een voorbehoud op deze bepaling. Dat voorbehoud geldt totdat er sprake is van een effectieve conflictresolutie tussen voldoende leden van het verdrag en Nederland. 

Bron: Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | 34 853 | 13-02-2019
februari 13th, 2019|

Oplopende schuld dga

Als een bv aan haar aandeelhouder een lening verstrekt waarvan aannemelijk is dat deze niet kan of zal worden afgelost, wordt de lening aangemerkt als een uitdeling van winst. Het bedrag van de lening heeft onder die omstandigheden het vermogen van de bv definitief verlaten. Om als uitdeling van winst aangemerkt te worden moeten de bv en de aandeelhouder zich ervan bewust zijn dat de aandeelhouder door de vermogensverschuiving is bevoordeeld. Het is aan de Belastingdienst om met feiten en omstandigheden te komen op grond waarvan aannemelijk is dat een situatie is ontstaan waarin de schuld van de aandeelhouder aan de bv niet zal worden afgelost en dat de aandeelhouder en de bv zich bewust waren van de bevoordeling van de aandeelhouder. Een uitdeling van winst wordt belast in box 2.

De Belastingdienst legde een navorderingsaanslag inkomstenbelasting over 2010 op aan een dga. In de aanslag werden de rekening-courantschuld van € 578.414 en de langlopende schuld van € 225.000 van de dga aan zijn bv als uitdelingen van winst belast.

De rechtbank was van oordeel dat de navorderingsaanslag terecht was opgelegd. Ten tijde van het indienen van de aangifte IB 2010 was de rekening-courantschuld opgelopen tot ruim € 800.000. De aandeelhouder kon de bv geen reële zekerheden bieden en was niet in staat om jaarlijks rente en aflossing te betalen. Daarmee stond vast dat de lening niet kon of zou worden afgelost. De bv liet de schuld echter verder oplopen, onder meer door het bijboeken van de verschuldigde rente. Medio 2015 was de totale schuld van de aandeelhouder aan de bv opgelopen tot € 3,5 miljoen.

Volgens de rechtbank moet het beide partijen duidelijk zijn geweest dat de opgenomen gelden blijvend aan de bv waren onttrokken. Beide partijen moeten zich ervan bewust zijn geweest dat de aandeelhouder hierdoor was bevoordeeld.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | AWB 17/4238 | 13-02-2019
februari 13th, 2019|

80-jarige niet te oud voor ondernemerschap

De civielrechtelijke vorm van een overeenkomst is doorgaans bepalend voor de fiscale behandeling. Onder omstandigheden kan worden afgeweken van de civielrechtelijke vorm, bijvoorbeeld wanneer in een overeenkomst een andere voorstelling van zaken wordt gegeven dan de werkelijke gang van zaken.

Een landbouwer staakte in 2000 op 69-jarige leeftijd zijn onderneming. De grond ging naar het privévermogen en werd verpacht aan de dochter en schoonzoon van de landbouwer, die de onderneming voortzetten. In 2012 ging de voormalige landbouwer op 80-jarige leeftijd met zijn dochter en schoonzoon een maatschap aan, waarin het landbouwbedrijf voor gezamenlijke rekening en risico werd geëxploiteerd. De pachtovereenkomst werd beëindigd en vader bracht het economische belang bij de landbouwgrond in. Civielrechtelijk was sprake van een maatschap, met alle daaraan verbonden rechten en verplichtingen. De voorwaarden waaronder de maatschap was opgericht waren zakelijk. Hoewel vader voldeed aan de eisen die de Wet IB 2001 stelt aan het ondernemerschap, bestreed de inspecteur het realiteitsgehalte van de maatschap. Volgens de inspecteur was het aangaan van de maatschap gericht op het behalen van een incidenteel fiscaal voordeel door gebruik te maken van ondernemersfaciliteiten op het gebied van de schenk- en erfbelasting.

De rechtbank was van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat het aangaan van de maatschap en de inbreng van het gebruik en genot van de onroerende zaken niet stroken met de werkelijke bedoeling van de maten. Dat betekent dat zich niet de situatie voordeed dat de maten in werkelijkheid andere rechtshandelingen zijn aangegaan dan zij in de maatschapsovereenkomst hebben gepresenteerd. De mogelijkheid dat vader in de toekomst gebruik zal maken van bedrijfsopvolgingsfaciliteiten in de schenk- of erfbelasting maakt niet dat de wil was gericht op het behalen van incidenteel fiscaal voordeel. Deze faciliteiten zijn onlosmakelijk verbonden met het fiscaal ondernemerschap voor de inkomstenbelasting.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBNNE2019421, LEE 17/1334 | 13-02-2019
februari 13th, 2019|

Discriminatie sollicitante

De Algemene wet gelijke behandeling verbiedt ongelijke behandeling op basis van onder meer ras en afkomst, geslacht en zwangerschap. Bescherming op grond van deze wet kan worden ingeroepen bij discriminatie op het terrein van arbeid. Niet alleen werknemers kunnen hierop een beroep doen, maar ook sollicitanten, vrijwilligers en uitzendkrachten. Wanneer een werkgever of een beoogd werkgever zich aan een verboden vorm van ongelijke behandeling schuldig maakt, kan de wederpartij schadevergoeding eisen.

Nadat een sollicitante tijdens het tweede gesprek had aangegeven dat zij zwanger was, werd haar geen arbeidsovereenkomst aangeboden. Uit een door de sollicitante opgenomen telefoongesprek met de beoogde werkgever werd duidelijk dat de zwangerschap de reden was om geen arbeidsovereenkomst aan te willen gaan. Dat is een vorm van verboden ongelijke behandeling op basis van geslacht. Het verweer van de beoogde werkgever dat de sollicitante was geweigerd omdat zij niet geschikt was voor de functie werd door de kantonrechter afgewezen. Vanwege toerekenbaar onrechtmatig handelen moest de beoogde werkgever de door de sollicitante geleden schade vergoeden.

Vervolgens diende de kantonrechter de vraag te beantwoorden welke schade het gevolg was van het feit dat vanwege de zwangerschap geen dienstbetrekking was aangeboden aan de sollicitante. De kantonrechter bepaalde de hoogte van de schade aan de hand van een aantal veronderstellingen omtrent de te verwachten duur en omvang van het dienstverband, indien dat wel zou zijn aangeboden.

De sollicitante veronderstelde dat een arbeidsovereenkomst ten minste twee jaar zou hebben geduurd. Een dergelijke toezegging was niet gedaan en concreet bewijs daarvoor ontbrak. De beoogde werkgever ging uit van een arbeidsovereenkomst voor zes maanden, die daarna hoogstwaarschijnlijk niet zou worden voortgezet vanwege krimp. Voor de functie waarop de sollicitante had gesolliciteerd was een opleiding van ongeveer een half jaar nodig. Daarom vond de kantonrechter een arbeidsduur van een half jaar niet aannemelijk. De kantonrechter bepaalde voor de berekening van het schadebedrag het dienstverband op één jaar. Aangezien de sollicitante tijdens de sollicitatieprocedure had aangegeven dat zij bij voorkeur 32 uur wilde werken nam de kantonrechter dat als uitgangspunt. De kantonrechter berekende de schadevergoeding op een jaarsalaris, vermeerderd met het gemiste bedrag aan werkgeversdeel van de pensioenpremie. De totale vergoeding kwam uit op een bedrag van € 37.000.

De kantonrechter zag geen aanleiding voor vergoeding van immateriële schade.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBDHA2019584, 7129022 RL EXPL 18-17656 | 13-02-2019
februari 13th, 2019|

JA, IK WIL ONLINE BOEKHOUDEN ZONDER GEDOE!


    Go to Top